In geval van dood
| Publicatie | Nr. 1 - 18 februari 2010 |
|---|---|
| Jaargang | 2010 |
| Rubriek | Artikel |
| Auteur | Ingrid Lutke Schipholt |
| Pagina's | 13-15 |
Sterven krijgt weinig aandacht in de studie
Studenten leren om mensen beter te maken, maar krijgen onherroepelijk ook te maken met de dood. Het zijn confrontaties waarop je je moeilijk kunt voorbereiden.
‘Vorige week heb ik op de spoedeisende hulp een jonge patiënt zien overlijden’, zegt de Leidse vijfdejaars Emilie Dronkers. Ze werkt als coassistent in een groot ziekenhuis in Den Haag op de afdeling Interne Geneeskunde. Het was de eerste keer dat zij een patiënt zag doodgaan. ‘Hij was in een winkel in elkaar gezakt. Toen hij bij ons kwam, had hij geen hartslag meer en mijn aios moest helpen reanimeren. Iedereen kreeg een eigen taak. Iemand riep: ‘Doe jij dit, doe jij dat’. En ineens zie je het leven uit iemand wegvloeien. De ogen draaien weg; heel gek dat onder je handen een mens overlijdt. Je beseft dat je zijn leven wilt redden en je kunt haast niet accepteren dat hij al overleden is. We wisten niks van de patiënt, want hij had alleen een pasje van de sportclub bij zich. Toen moesten we op zoek naar zijn familie.’ De man bleek 30 jaar te zijn. Hij liet een vrouw en twee jonge kinderen achter.
Die dag moest Dronkers ook weer gewoon op de SEH werken en kreeg ze te maken met mensen die iets onschuldigs mankeren. ‘Dan is het lastig om over te schakelen. Ik heb het er met de aios over gehad, want ik was ontdaan. Het doet me meer dan ik van tevoren had kunnen bedenken. De aios raadde me aan er met mensen over te praten, anders zou ik eraan onderdoor kunnen gaan. Dat heb ik gedaan. En verder zou ik een reanimatie willen meemaken waarbij de patiënt wél blijft leven.’
Onvoorbereid
De confrontatie met de dood is hard. Studenten krijgen hier tamelijk onvoorbereid mee te maken. Ook de net afgestudeerde Eva Poelman kan erover meepraten. Zij liep haar coschap chirurgie toen een patiënt op haar afdeling overleed. ‘Ik werkte op de verpleegafdeling vaatchirurgie’, weet ze nog. ‘Er lag al enkele maanden een man met een buikaneurysma. Hij had operatie na operatie ondergaan vanwege veel complicaties zoals necrose van delen van de darmen. Op een dag kwam ik terug van de lunch en hing er een vreemde sfeer op de afdeling. De artsen en verpleging waren iemand aan het reanimeren. Het bleek deze patiënt te zijn. Ik kreeg de opdracht zijn vrouw te bellen. Lastig, want zij zat in de bus naar het buitenland. Ik heb haar moeten overreden om terug te keren. Daarbij moest ik de juiste woorden kiezen: niet meteen vertellen dat haar man was overleden, maar wél duidelijk maken dat het ernst was. Toen ze uiteindelijk kwam, was haar man al uren dood. Nu nog denk ik wel eens aan deze casus, want ik vond het heel indrukwekkend. Ik praat er met mijn toenmalige mede-co nog wel eens over. Het voorval raakte me, maar ook weer niet zo erg dat ik er niet van kon slapen of zo.’
Jaarlijks sterven er in ons land zo’n 135.000 mensen. De meeste patiënten overlijden thuis, dus de huisarts heeft het meest met de dood mee te maken. Van alle patiënten die in 2008 in het ziekenhuis stierven, waren de meeste (28%) opgenomen bij interne geneeskunde (zie kader). Alle cijfers ziekenhuissterfte per specialisme
Toch is het fenomeen overlijden een ondergeschoven kindje in de geneeskundeopleiding, want vrijwel alles wat je leert heeft te maken met mensen beter maken. Pas in de kliniek krijgen studenten echt te maken met de grenzen van de geneeskunde.
Afstand houden
Internist-oncoloog Alexander de Graeff (UMC Utrecht), die ook hospicearts is, pleit voor meer structurele aandacht voor de dood in de studie. ‘Allereerst is objectieve informatie nodig over hoe mensen sterven. Daarnaast is het belangrijk dat je weet wat dat met je kan doen. Ook moet er begeleiding op dit gebied komen voor zowel professionals als studenten. Intervisie, een bijeenkomst waarin betrokkenen hun ervaringen delen, vind ik daarom essentieel. Zo leer je ermee om te gaan. Je leert je eigen emoties bespreekbaar te maken.’
Het moeilijkste voor een arts of student is de periode die aan de dood voorafgaat. Dit zijn de momenten dat emoties een belangrijke rol spelen: je hebt een band met een patiënt die er binnenkort niet meer is. Hoe kun je de patiënt maximaal benaderen met behoud van distantie? Daarop is geen eenduidig antwoord te geven. ‘Ik denk dat voor goede zorg een zekere mate van nabijheid een vereiste is’, zegt De Graeff. ‘Dat werkt bevorderend in plaats van belemmerend. Maar toch moet je afstand houden.’ Coassistent Sabine van Ginkel, die behalve in het UMC Utrecht ook in een hospice werkt, denkt dat zo’n balans niet aan te leren is. ‘Ik denk dat je handelt per situatie. Je maakt per keer een afweging, daarvoor is geen recept.’
De Graeff doet er het nodige aan om studenten voor te bereiden op de dood van patiënten. Maar het is onvoldoende, vindt hij. ‘Ik geef een inleiding palliatieve zorg van anderhalf uur aan derdejaars coassistenten interne geneeskunde. Daarin focus ik op ernstig zieke patiënten van mijn afdeling en niet op persoonlijke ervaringen van de studenten zelf. Ik merk dat er iets gebeurt bij mensen die het in hun omgeving hebben meegemaakt. De betrokkenheid is dan te groot.’
De Graeff organiseert ook een keuzecoschap palliatieve zorg. Coassistenten gaan dan naar het hospice. Hier worden ze heel duidelijk geconfronteerd met de dood. Dit coschap is niet voor iedereen weggelegd. ‘De mensen die de dood heel moeilijk vinden en er niet mee om kunnen gaan, moeten later een richting kiezen waar ze weinig te maken krijgen met de dood. In de oogheelkunde of dermatologie word je veel minder geconfronteerd met de dood dan bij interne geneeskunde.’
Vreemd gevoel
Dawi van der Stap (Dat beloof ik) is arts in opleiding tot klinisch geriater en heeft met enige regelmaat te maken met patiënten die overlijden. In het kader van zijn opleiding werkt hij nu als aios bij interne geneeskunde. Hij neemt geregeld coassistenten onder zijn supervisie, ook als patiënten overlijden. ‘Je laat zien hoe je daarmee omgaat’, zegt Van der Stap. ‘Op de dood van een patiënt kun je je eigenlijk niet echt goed voorbereiden. Als er iemand op de afdeling overlijdt, is het meestal de verpleegkundige die mij erbij haalt. Ik moet dan schouwen, wat betekent dat ik de dood vaststel. Een lichaam schouwen is technisch niet moeilijk: je luistert naar het hart of er harttonen te horen zijn, kijkt naar de pupillen of ze licht stijf zijn. Daarnaast heb je je klinische blik. Schouwen is emotioneel best pittig om te doen. Het is een vreemd gevoel dat je onderzoek moet doen aan een dood lichaam. Dat is moeilijk uit te leggen. Maar daar raak je op den duur ook wel een beetje aan gewend. Het wordt in de loop der tijd minder confronterend.’
Nadat de dood is vastgesteld, condoleert de dokter de familieleden. Meestal praat hij even met hen en geeft hij uitleg over de doodsoorzaak. Als het een verwacht overlijden betreft, informeert hij of de familie tevreden is met het verloop. De coassistent kan daarbij aanwezig zijn, maar heeft daar verder amper een rol in: hij is toeschouwer en kan leren van de situatie. Na afloop moet toestemming voor obductie worden gevraagd. Een moeilijke vraag op een emotioneel moment.
In het artsenvak is het belangrijk dat je emotioneel zware gebeurtenissen van je af kunt zetten zodra het werk erop zit. ‘Als je je doktersjas uitdoet en het ziekenhuis uitloopt, dan ben je niet meer “de dokter” maar gewoon een privépersoon’, zegt Van der Stap. ‘In het ziekenhuis verwachten ze een professionele rol van je die voornamelijk rationeel is. Maar als je zelf moe bent of je hebt thuis problemen, kan een gebeurtenis als een overleden patiënt er behoorlijk inhakken. Zorg dat je thuis een goede uitlaatklep hebt. Het meest confronterende vind ik als een leeftijdgenoot overlijdt. Dan komt de dood wel heel dichtbij.’
Lees ook
- Zorgvuldig tot het einde - Artikel Arts in Spe 1 2009
|
Waardeer dit item:
|
Ziet u geen reactieformulier? Reacties. (3)
""
"Thanks for shianrg. Always good to find a real expert."
"Hierbij wil ik graag reageren op het artikel “In geval van dood”. Daarin werd aangegeven dat sterven weinig aandacht krijgt in de studie geneeskunde. Wij hebben in Utrecht de mogelijkheid om in het 6e jaar een 6-weekse keuzestage ‘medische psychologie’ te lopen. Dit doen wij bij het Helen Dowling Instituut Utrecht, waar psychosociale begeleiding wordt geboden aan mensen met kanker en hun naasten. Hier krijg je te maken met mensen die curatief behandeld zijn, maar ook met mensen die ongeneeslijk ziek zijn en dood gaan. ‘De dood’ en ‘angst voor de dood’ zijn veel voorkomende thema’s bij de gesprekken die worden gevoerd. Ik heb net deze keuzestage achter de rug en heb hier ontzettend veel van geleerd. Je gaat hier als het ware verder waar het in het ziekenhuis ophoudt. Je gaat hier wel het gesprek aan over doodgaan, terwijl dat in het ziekenhuis vaak niet gebeurt. Zo krijg je als geneeskundestudent veel meer inzicht in wat de ziekte en het doodgaan met mensen doet en hoe verschillend ze daar mee om kunnen gaan. Je merkt dan ook hoe belangrijk het is om hier aandacht aan te besteden. Dit is zeker iets wat ik mee kan nemen als ik straks zelf arts ben.
Tijdens deze stage lopen we ook wekelijks een ochtend mee in het hospice. Voordat ik aan deze stage begon, was ik nog nooit in een hospice geweest. Ik had daar altijd een beetje een naar gevoel bij en ik had het idee dat een hospice een nare plek was om dood te gaan. Door mijn ervaringen tijdens deze stage is dat beeld totaal veranderd. Het klinkt misschien gek, maar ik vind het daar heel prettig. Je wordt daar continue geconfronteerd met de dood, maar doordat er op een hele fijne en respectvolle manier met de dood omgegaan, vind ik het alleen maar fijn dat ik de mogelijkheid heb om op die manier met de dood in aanraking te komen. Daardoor is mijn eigen visie op de dood veranderd en denk ik dat het omgaan met het einde van het leven ook juist iets moois kan zijn.
Ik denk dat het als geneeskundestudent heel erg nuttig is om een stage als deze te ervaren en de mogelijkheid te hebben om eens in een andere setting de verhalen van patiënten te horen. Je hoort toch wel regelmatig dat patiënten ontevreden zijn over hoe er in het ziekenhuis met hen is omgegaan. Ik denk dat de communicatie daarin een heel belangrijke rol speelt. Door goed naar deze verhalen te luisteren, kan je er straks beter bij stilstaan wat het effect van een slechtnieuws gesprek kan zijn op iemand die voor je in de spreekkamer zit. En doordat ik tijdens mijn studie al meer met gesprekken over de dood in aanraking ben gekomen, zal het voor mij in de toekomst ook wat minder moeilijk zijn om hierover te praten.
"
Laatste nieuws
| Datum | Titel | |
|---|---|---|
| Maastricht wint Rosalind Franklin Contest | ||
| Artsen in het geweer tegen bikinireclame | ||
| Winactie Body Worlds |
